Identiteitskaart

Doelgroep: S.O. (2E GRAAD)

Groepsgrootte: Klas

Duur: +- 15 MINUTEN

Materiaal:

Filmpje edubox: https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2021/11/15/edubox-identiteit/video/#video01 

Pen en papier voor iedere leerling.

Leerplandoelen:

  • SO: Sluit aan bij het gemeenschappelijk funderend leerplan

Doelstellingen:

De leerlingen denken na over wie ze zijn door een aantal van hun deelidentiteiten op te lijsten.

De leerlingen denken na over het belang van deze deelidentiteiten op 2.dit moment in hun leven.

De leerlingen denken na over de deelidentiteiten die ze meer/ minder naarboven willen laten komen.

Methodiek/oefening:

Korte klassikale brainstorm "identiteit"

Stel de leerlingen de vraag waar ze aan denken bij het horen van het woord "identiteit". Je kan hen laten nadenken over de onderwerpen die op hun identiteitskaart staan. Stel bijkomende vragen:

  • Bepalen deze onderwerpen volledig wie je bent?
  • Zo niet, welke dingen bepalen dit nog?

Inleidend filmpje identiteit/ deelidentiteiten

Toon de leerlingen het filmpje van edubox. Geef hen voordien de instructie om aandachtig te luisteren naar de thema's die hier besproken worden.

  • Welke thema's hebben jullie gehoord?

Leg de leerlingen uit dat men het in het filmpje had over een aantal deelidentiteiten. Een deelidentiteit is een klein stukje van jouw identiteit. Iedereen bestaat uit een heel aantal deelidentiteiten. We zouden onszelf kunnen indelen in verschillende kleine stukjes. In dat opzicht kunnen we onze identiteit vergelijken met een taart (elk stukje is een deelidentiteit).

Oefening (eigen identiteit in kaart brengen)

Laat de leerlingen individueel een taart met 8 stukken tekenen. Laat de leerlingen deze stukken invullen a.d.h.v. de volgende structuur (gebaseerd op het filmpje).

  • Stuk 1: afkomst, origine
  • Stuk 2: welke waarde(n) vindt de leerling belangrijk?
  • Stuk 3: welke belangrijke personen zitten er in de naaste omgeving vande leerlingen?
  • Stuk 4: wat is een typerende karaktereigenschap van de leerlingen?
  • Stuk 5: welke is interesse van de leerling (1 of meer)?
  • Stuk 6: wat heeft de leerling meegekregen uit zijn/ haar DNA? (minstens1)
  • Stuk 7: welke rollen neemt de leerling in (minstens 1)?
  • Stuk 8: vrij in te vullen: wat is nog een belangrijk deel van jezelf (vb.huisdier, hobby, belangrijk persoon,...)?

Nabespreking:

Bevraag aan de leerlingen om 1 stukje aan te duiden dat ze meer naar voren willen laten komen en 1 stukje dat ze minder naar voren willen laten komen. Bevraag eventueel een aantal antwoorden.

Laat de leerlingen in groep minstens 1 stuk van zichzelf delen (liefst het stuk dat de anderen eerder niet weten van hen).